Verzorging
Species

Het verzorgen van KINGIDIUM DELICIOSUM

Kingidium deliciosum heeft een lange reeks synoniemen achter haar huidige naam staan. Sinds haar ontdekking is ze al aan haar elfde soort­naam toe in het 7de verschillende geslacht.
Het verhaal begint in 1851 toen mr. Griffith een nieuwe soort beschreef: Aerides decumbens. De plant was gevonden in Myanmar (Birma).
Verschillende jaren later, in 1854, beschreef mr. Reichenbach een nieuwe soort van Java: Phalaenopsis delisiosa. In 1862 beschreef hij nog eens drie "nieuwe" soorten nl. P. hebe uit Java, P. wightii uit India en ph. amethystina uit Sumatra. Het waren alle drie vormen van K. deliciosum. In 1861 werd een exemplaar van K. deliciosum uit Ceylon al door mr. Thwaites als Aerides latifolia beschreven. En een jaar later beschreven de heren Binnendijk en Teijsman een plant uit Maleisië als P. bella. Zo gaat het verhaal 21 jaar verder, totdat de heren Bentham en Hooker beslissen dat P. wightii beter geclassificeerd kon worden als een Doritis, vanwege haar samenge­smolten sepalen. Mr. Lindley had in 1833 Doritis al afgescheiden van Phalaenopsis.
Doritis is te herkennen een lange voet van de zuil die over zijn hele lengte verbonden is met de laterale sepalen, en door het onderste gedeelte van de lip die een slanke klauw vormt die twee rechtopstaande, platte aanhangels heeft net op het punt waarop het zich verbreedt tot het drielobbige blad. Aan de basis van dit blad is er een klein, naar voren wijzend zuiltje. Daar komt nog bij dat Doritis vier afzonderlijke pollen heeft, terwijl de meeste Phalaenopsis soorten er maar twee hebben. In de Polychilos-sektie zijn er soorten waarvan die twee pollen duidelijk gedeeld zijn in twee helften. Geen enkele Phalaenopsis soort heeft samengesmolten laterale sepalen.
In 1855 vond ook mr. Trimen dat het om een Doritis ging bij de Aerides en veranderde de classificatie. Nog een jaar later publiceerde mr. Rolfe de eerste revisie van het geslacht Phalaenopsis. In die revisie schreef hij dat P. bella en P. hebe dezelfde soort waren, maar ook dat ze verschilden van P. deliciosa en P. amethystina. In 1893 beschreef mr. Ridley een P. alboviolacea, nog een naam voor Kingidium deliciosum.
Ze kreeg toen een rust van 15 jaar, maar in 1908 beschreef mr. Ames een Doritis philippinensis van de Filippijnen. En in 1911 beschreef mr. Schlechter D. steffensii.
En natuurlijk waren ook deze twee weer gewoon K. deliciosum. In 1913 veranderde mr. Schlechter P. hebe in D. hebe.
In 1917 herzag mr. Rolfe het geslacht Doritis en liet D. wightii en D. latifolia in het geslacht blijven. Een nieuw geslacht werd geschapen voor D. philippinensis, A. decumbens en D. hebe: Kingiella. Dit geslacht onder­scheidde zich door de samensmelting van de laterale sepalen en de basis van de lip, die zo een spoorvormig mentum vormen, wwaruit de lobben direct ontspringen zonder de smalle, staakvormige basis van de petalen. Kingiella werd vernoemd naar Sir George King, directeur van de Calcutta Botanical Garden.
Weer enkele jaren later, in 1933, bepaalde mr. J.J. Smith dat het concept van Kingiella onjuist was en plaatste alle soorten weer in Phalaenopsis.
In 1945 verplaatsten de Chinese botanici Wang en Tang een stel Chinese planten naar alweer een nieuw geslacht: Biermannia. Biermannia was een monotypisch geslacht, dus met maar één soort, dat in 1897 door de heren King en Pantling opgezet was voor een alleen in India voorkomen­de soort: Biermannia ciliata.
In 1947 besliste mr. Holttum dat K. deliciosum niets verschilde van de meeste Phalaenopsissoorten. Maar na verder onderzoek veranderde hij weer van gedachten. In 1965 erkende hij Rolfe's beschrijving van Kingiella omdat de laterale sepalen vastzaten aan de zijkanten van de zuil, en niet aan de lip. De lip is nl. vastgezet aan het einde van de zuilvoet; en de spoor is daarom een onderdeel van de lip zelf, waarin ze veel over­eenkomt met die van het geslacht Vanda. Op het oppervlak van de lip, beginnend tussen de zijlobben en naar vorenwijzend, is er een tweelob­big aanhangsel, net als bij de soorten van de Phalaenopsis-sektie Stauroglottis.
In 1970 probeerde mr. Hunt eindelijk eens duidelijkheid te scheppen. Hij kwam tot verschillende opzienbarende conclusies. Hij begon ermee te verklaren dat alle zeven soorten eigenlijk een en dezelfde soort waren. Verder was hij van mening dat het duidelijk in een ander geslacht thuis­hoorde als in Phalaenopsis of Doritis. Een andere conclusie was dat de naam Kingiella niet mogelijk was omdat er al een mistletoe-geslacht was dat Kingella heette. Hij stelde de nieuwe naam Kingidium voor en omdat Kingidium decumbens als eerste was beschreven, moest dat de enige juiste naam zijn.
Maar het verhaal is nog niet ten einde. Tien jaar later schreef mr. Sweet dat de K. decumbens van Griffith niets anders was als Phalaenopsis lobbii. Daarom was de eerste naam niet decumbens maar speciosa. Hij hernoemde de soort K. deliciosum en niet deliciosa omdat dan de ge­slachtsnaam en de soortnaam beter bij elkaar pasten.
In 1982 herschiep mr. Shim het geslacht Polychilos voor K. deliciosum. In 1827 had mr. Breda dit geslacht opgezet voor Phal. cornu-cervi. Shim gebruikte het concept om 37 soorten en natuurhybrides van Phalaenopsis onder te brengen en ze te combineren met de Kingidium soorten. Hij omschreef K. deliciosum als Polychilos decumbens.
In 1986 bestudeerde E. Christenson veel van de specimen die bewaarde waren gebleven in de herbaria, en K. deliciosum verhuisde weer naar Phalaenopsis.
Het, voorlopig, laatste rapport verscheen in 1988 van mr. Seidenfaden die verklaarde dat de soort meer verwant is aan Doritis dan aan Phalaenopsis, omdat ze 4 pollen heeft die meer gedeeld zijn als die van Phalaenop­sis, maar ook weer niet zo opvallend als bij Doritis.

En omdat een goed verhaal altijd een open einde heeft nog even het volgende: de R.H.S. (die o.a. de registratie van alle hybrides bijhoudt) beveelt aan: "om de soort Kingiella philippinensis te noemen om regestratie-redenen, alhoewel K. deliciosum botanisch gezien correct is" !!! K. deliciosum komt voor in een groot gebied van Zuid-Oost Azië, maar ze is toch vrij uniform in haar verschijning. De plant is maar klein, meestal met twee bladeren die ongeveer 10 cm lang worden en 5 cm breed met een opvallend geribbelde rand. De bloemtak is meestal minder dan 15 cm lang en kan wel 4 zijtakken hebben. Elke zijtak geeft tot 10 bloemen, maar er zijn er maar 2 of 3 tegelijkertijd open. De kleine, 1 cm grote bloemen hebben witte tot licht-gele petalen en sepalen. De planten uit het noordoosten van India zijn zeker geler van kleur en hebben bredere delen dan planten uit de andere regio's. De lip is bijna helemaal magen­ta. Bij sommige klonen zijn de ventrale sepalen magenta gestreept. Zelfs een goed gekweekte en flink bloeiende K. deliciosum is niet spectaculair. Maar elk van zijn hybrides is een plaatje.
K. deliciosum is makkelijk te kweken onder dezelfde omstandigheden als Phalaenopsissoorten, die een beetje anders gekweekt moeten worden als haar hybrides.
Ze doen het het beste onder matig licht (1000 foot-candles) en bij warme temperaturen van 25 C. Planten kunnen niet lang temperaturen van minder als 23 C. verdragen.
Pot ze op in potten met een mengsel waardoor water vlug weg kan lo­pen, en geef tijdens het groeiseizoen vaak water. Als ze wordt opgepot in een medium wat het water lang vasthoudt zal ze onherroepelijk wegrotten. Deze soort heeft, in tegenstelling tot haar hybrides, een rustperiode in de winter waarin erg moet worden opgelet met het geven van water.
In tegenstelling tot de hybrides is K. deliciosum best wel tolerant en kan ze onder nogal uiteenlopende omstandigheden gekweekt worden. Maar standaard Phalaenopsiscondities zijn prima.
Tot zover een vertaling van een artikel uit het februari nummer van het A.O.S. Bulletin dat werd geschreven door R.J. Griesbach.
Je zult maar een plant met zo'n achtergrond in je kas hebben.

tekst: Bert van Zuylen

 

Webmaster:
Orchidnet.nl

        © copyright
2005-2010